LO Bonus

Terug


Vakblad uitgebreid
 
Topic
Dit artikel is de uitgebreide versie van het verhaal uit LO-magazine 7
 

 
De laatste jaren is er veel aandacht voor het onderscheid tussen bewust (expliciet) en onbewust (impliciet) motorisch leren, waarbij expliciet leren regelmatig de stempel kreeg van ‘achterhaald’ of ‘fout’ en impliciet leren werd bestempeld met ‘up-to-date’ en ‘goed’. Als het gaat om expliciet en impliciet leren bestaat er geen goed of fout, geen zwart of wit. In dit artikel wordt de kennis van nu op een rij gezet en vervolgens aangevuld met praktische voorbeelden, zodat je zelf een gefundeerde keuze kunt maken.

Tekst Marjan Kok en Jennifer Nuij
 
Beide manieren van leren hebben zo hun eigen voordelen. Je kunt bewust streven naar een meer expliciet of impliciet leerproces, afhankelijk van wat je wilt bereiken in een specifieke leersituatie. Maar eerst even opfrissen.
 
Expliciet en impliciet leren: wat houdt het (ook alweer) in?
‘Waar lette je op tijdens het oefenen?’ is de belangrijkste vraag om te achterhalen of een leerling expliciet of impliciet leert. Als het antwoord van de leerling alleen het ‘wat’ (bewegingsprobleem of bewegingsresultaat) van de beweging betreft, stuurt hij zijn bewegen in een impliciete modus aan. Een voorbeeld: een brugklasser scoort tijdens een basketbalvorm met behulp van een lay-up. Je vraagt aan hem: ‘Waar lette je op tijdens het maken van de lay-up’? Als de leerling bijvoorbeeld zegt ‘Ik dacht: ik wil scoren, de bal moet in de basket’ stuurde hij lay-up in een impliciete modus aan. Als de leerling door te oefenen in deze modus beter wordt, heeft hij impliciet geleerd. Als het antwoord echter (ook) kenmerken van de bewegingsoplossing (aanwijzingen of bewegingsregels) bevat, zoals ‘ik lette er goed op dat ik rechts-links stapte’/mijn knie hoog optilde tijdens de sprong’/‘ik me lang maakte tijdens de sprong’/rechts bovenin het zwarte vierkantje mikte’) stuurde hij zijn lay-up in een expliciete modus aan. Als de leerling beter gaat doelen/scoren door te oefenen in een expliciete modus leert de leerling expliciet.

In wetenschappelijk onderzoek wordt meestal geprobeerd om één groep bewegers zo veel mogelijk impliciet en een andere groep zoveel mogelijk expliciet te laten leren. Op deze wijze kan immers het beste worden onderzocht of de twee manieren van leren andere leereffecten tot gevolg hebben. In een bekend onderzoek van Masters (1992) leerden verschillende groepen impliciet of juist expliciet een golfbal te putten. Achteraf rapporteerden de bewegers uit de impliciete groep gemiddeld één aandachtspunt waarop ze hadden gelet tijdens het putten. Bewegers uit de expliciete groep rapporteerden er zes. In de praktijk is de scheidslijn tussen expliciet en impliciet leren niet zo scherp en kan er beter gesproken worden van een continuüm van impliciet naar expliciet leren waarbij het gebruik van het aantal bewegingsregels door de leerling richting het expliciete uiterste van het continuüm toeneemt.

Leert een leerling aan de ene kant van het continuüm meer dan aan de andere kant van het continuüm? Het antwoord is nee. Een leerling leert in beide gevallen om een bewegingsprobleem (scoren in basketbal) steeds beter op te lossen. Als we een ijsberg gebruiken als metafoor, is bij impliciet en expliciet leren de ijsberg even groot: alle facetten van het bewegen worden steeds beter gestuurd. De leerlingen leren wel anders. Het verschil is dat de ijsberg bij impliciet leren voor een groter deel onder water ligt: de ‘kennis’ over hoe de lay-up moet worden uitgevoerd is niet toegankelijk voor het bewustzijn en kan dus niet worden verwoord door de leerling. Deze kennis is wel degelijk aanwezig, maar ligt onder het wateroppervlak. (Zie Figuur 1 en 2 voor visualisaties van bewegingssturing in een expliciete en impliciete modus.)

In de volgende paragraaf beschrijven we hoe deze manieren van bewegingssturing kunnen voorkomen in het leerproces en welke overwegingen van belang zijn om te kunnen beslissen welke manier van sturen en leren het beste uitgelokt kan worden.
 
 
Figuur 1: bewegingssturing in een expliciete modus

Figuur 2: bewegingssturing in een impliciete modus
 
Leren via een meer expliciete of impliciete route?
Het traditionele idee is dat een motorisch leerproces verloopt van een expliciete (Figuur 1) naar een impliciete modus (Figuur 2). Volgens dit idee is de leerling in het begin van het leerproces – bijvoorbeeld bij het aanleren van doelen op de basket met hoge bewegingssnelheid door middel van een een lay-up – gebaat bij het gebruik van aandachtspunten over het ‘hoe’ van het bewegen. Dit zijn de technische aandachtspunten. Later in het leerproces wordt de beweging geautomatiseerd en hoeft de leerling niet meer aan deze aandachtspunten te denken. Sinds het eerder genoemde onderzoek van Masters (1992) weten we dat een motorisch leerproces niet volgens deze traditionele weg hoeft te verlopen. Ook een beginner is in staat om het bewegen in een onbewuste modus aan te sturen (Figuur 2) en op deze manier beter te worden, te leren. In dit geval stuurt de leerling gedurende zijn gehele leerproces zijn bewegen zoals aangegeven in Figuur 2 en leert hij dus impliciet.
 
Welke weg te bewandelen? Welke plek op het continuüm expliciet leren vs. impliciet leren is optimaal? Er zijn verschillende overwegingen die kunnen helpen een keuze te maken. Overwegingen om een leerproces met expliciete kenmerken uit te lokken:
  • Als je verwacht dat een kleine aanpassing in de bewegingsuitvoering een grote invloed zal hebben op het bewegingsresultaat, kan het aantrekkelijk zijn om dit in een instructie mee te geven (bijvoorbeeld ‘probeer tijdens de lay-up eerder naar de basket te kijken’).
  • Als je het belangrijk vindt dat leerlingen naast beter leren bewegen ook leren over bewegen, reflecteren op het bewegen of elkaar leren coachen ligt een meer expliciet leerproces voor de hand. Voor deze doelen kan ook video feedback worden ingezet. Onderzoeksresultaten over de meerwaarde van videofeedback met betrekking tot motorisch leren lopen sterk uiteen, maar wijzen wel op kansen (voor een overzicht, zie Kok & van der Kamp, 2014).
Er zijn dus verschillende redenen om een leerproces met expliciete kenmerken uit te lokken. Het is echter raadzaam om niet te veel op te schuiven naar het expliciete uiterste van het continuüm. Dit kan door het aantal expliciete aanwijzingen te beperken. Het werkgeheugen van kinderen heeft namelijk minder capaciteit dan dat van volwassenen.
 
Overwegingen om een meer impliciet leerproces uit te lokken:
  • Uit wetenschappelijk onderzoek (o.a. Masters et al., 1992; Masters et al., 2008, Poolton et al., 2007) komt naar voren dat bewegingen die impliciet geleerd zijn robuuster zijn: de prestatie blijft beter overeind tijdens vermoeidheid en in stressvolle situaties. Deze voordelen zijn met name relevant voor de sportsector en dus minder van toepassing in het bewegingsonderwijs.
  • Een relevant voordeel voor het bewegingsonderwijs is dat impliciet leren een kleiner beroep doet op het werkgeheugen. Gevolg is dat er meer ‘ruimte’ overblijft voor andere belangrijke zaken die (ook) aandacht vragen. Dit is geen overbodige luxe gezien de complexiteit van bewegingssituaties (een leerling wil scoren, maar houdt ook positie van mede en tegenspelers in de gaten, moet beslissingen nemen, spelregels hanteren e.d.), de complexiteit van een lessituatie (bijvoorbeeld aandacht voor de sociale situatie, afleiding door medeleerlingen) en de beperkte capaciteit van het werkgeheugen van kinderen. Onderzoek door Capio en zijn collega’s (voor een overzicht zie Masters e.a., 2013) ondersteunt de kracht van impliciet leren bij kinderen.
 
Hoe impliciet of expliciet leren jouw leerlingen?
Op welke plek op het continuüm bevinden jouw leerlingen zich tijdens de gymles? Is dit ook de gewenste plek als je bovenstaande overwegingen in ogenschouw neemt? En wat is jouw invloed hierop? Het classifcatiesysteem van Van Casteren e.a, (2015) kan helpen om hier inzicht in te krijgen. Van Casteren e.a. hebben een veelheid aan docentactiviteiten geclassificeerd en gelabeld als expliciete leermethode (bijvoorbeeld ‘instructies geven over hoe een oefening uit te voeren’) of impliciete leermethode (bijvoorbeeld ‘aanpassingen in het arrangement van de oefening’). Kritische kanttekening hierbij is dat een docent bewegingsonderwijs alleen kan proberen om een type leerproces uit te lokken. Hierbij is het nog niet zeker dat het ook gebeurt. Een leerling die geen instructies krijgt van een docent kan immers zelf ook bewegingsregels bedenken (‘hé, als ik met links begin gaat het beter’) en vervolgens gebruiken. Bovendien kunnen leerlingen elkaar ook aanwijzingen geven. Daarentegen kunnen leerlingen die een batterij aan aandachtspunten mee krijgen van de docent deze naast zich neerleggen en ‘gewoon’ gaan bewegen. Als controle zou je het af en toe aan de leerlingen kunnen vragen (‘Waar lette je op, toen je..?’)
Aan de hand van het classificatiesysteem hebben Van Casteren e.a. (2015) en van Boxtel (2015) gymlessen in o.a. het speciaal voortgezet onderwijs en het reguliere voortgezet onderwijs geobserveerd. Hieruit kwam naar voren dat docenten in de overgrote meerderheid van de lestijd expliciete leermethoden toepasten. Impliciete leermethoden werden zeer beperkt gebruikt, terwijl dit niet altijd de intentie was van de docenten.
 
Uitlokken van een meer impliciet leerproces
De uitdaging voor bewegingsonderwijzers lijkt te liggen in het maken van een keuze: in hoeverre wil ik een expliciet of impliciet leerproces uitlokken? Vervolgens blijkt het uitlokken van een meer impliciet leerproces niet altijd gemakkelijk. Er zijn verschillende methoden die geassocieerd worden met impliciet leren. Van sommige methoden is deze associatie wetenschappelijk aangetoond, bij andere methoden wordt deze associatie verondersteld. We zullen drie van deze methoden toelichten en aanvullen met concrete praktijkvoorbeelden.
  1. Maak gebruik van beeldspraak
‘Een beeld zegt meer dan duizend woorden’. De kunst bij deze leermethode is om één krachtige metafoor te bedenken die ‘stiekem’ verschillende technische aandachtspunten over het ‘hoe’ van het bewegen samenvat. Het expliciet benoemen dan deze onderliggende aandachtspunten is daardoor overbodig. Een aanwijzing in de vorm van een beeldspraak begint vaak met ‘doe alsof je’. Bij de lay-up kan bijvoorbeeld gedacht worden aan ‘doe alsof je hand en je knie met een touwtje aan elkaar vastzitten’ of ‘doe alsof je aan één kant een trekpop bent’. Deze beeldspraken bevatten impliciet meerdere aandachtspunten (afzet van één been, gelijktijdig omhoog brengen van de knie en de werparm, naar omhoog uitstrekken). Voor voorbeelden van beeldspraken in het turnen, zie Tabel 1.
 

 




 
Een goede beeldspraak vat dus belangrijke kenmerken van de bewegingsuitvoering samen. Verder is een goede beeldspraak betekenisvol voor de leerlingen; hij sluit aan bij hun belevingswereld. Tot slot nog een opmerking bij deze methode: om een meer impliciet leerproces uit te lokken moet de docent het wel bij één beeldspraak houden en deze niet aanvullen met andere expliciete instructies.
 
  1. Lok een externe focus van aandacht uit
Bij deze methode gaat het erom dat de aandacht van de leerling gericht is op de omgeving en dus niet op zijn eigen lijf. Bij voorkeur richt de leerling zijn aandacht op iets wat het gevolg is van zijn actie. In het geval van een spelsituatie kan de aandacht bijvoorbeeld worden gericht op op de bal, de plek waar de bal terecht moet komen of de positie van andere spelers. Een externe focus kan worden uitgelokt door instructie, bijvoorbeeld in het geval van de lay-up ‘mik op de rechterbovenkant van het vierkant’ of ‘probeer met je hand zo dicht mogelijk bij de basket te komen’. Het kiezen van een opdracht (‘bijvoorbeeld ‘noem de kleur van het t-shirt van degene naar wie je de bal speelt’) en aanpassingen in het arrangement (bijvoorbeeld opvallend markeren waar leerlingen naartoe moeten bewegen, zoals het plakken van een sticker in de rechterbovenhoek van het vierkant) kunnen de externe focus extra versterken. Zie Tabel 2 voor instructies in het turnen die een externe focus van aandacht kunnen uitlokken.
 


 
 
  1. Ontwerp de leersituatie slim (maak het arrangement ‘dwingend’)
Met deze methode probeert de bewegingsonderwijzer de bewegingsuitvoering niet met verbale bewegingsaanwijzingen te beïnvloeden, maar met de inrichting van het bewegingsarrangement en/of de keuze van de opdracht. Een slimme keuze van het aantal aanvallers en verdedigers in combinatie met markeringen op de vloer waarbij de leerlingen alleen op de markeringen bal mogen passen of ontvangen, kan bijvoorbeeld een spelsituatie uitlokken waarin kinderen ‘als vanzelf’ afspeellijnen openen en sluiten. In het aanleren van de lay-up vanuit verschillende richtingen met het accent op de twee-pas zou je eraan kunnen denken om de passen te sturen met markeringen: Rood voor Rechts en geeL voor Links. Zie Tabel 3 voor aanpassingen in de opdracht en het bewegingsarrangement die een gewenste bewegingsuitvoering kunnen uitlokken in het turnen.
 
 
Naast deze drie methoden zijn er nog meer methoden waarmee een meer impliciet leerproces kan worden uitgelokt.
Samengevat start het begeleiden van een motorisch leerproces met het observeren van leerlingen en beslissen wat het belangrijkste aandachtspunt is. Bij meer expliciete leermethoden vertelt de docent dit aandachtspunt in begrijpelijke taal aan de leerling. Bij meer impliciete leermethoden maakt de bewegingsonderwijzer een extra vertaalslag. Hij kan de aanwijzing vertalen naar een beeldspraak of een instructie met een externe focus. Hij kan er ook voor kiezen om de aanwijzing te ‘vertalen’ door de opdracht of het bewegingsarrangement aan te passen. Kortom: een bewegingsonderwijzer die impliciete leermethoden kan toepassen is een creatieve vertaler en ontwerper met kennis van bewegen.
 
Referenties
Boxtel, van F., Smits, D.W., Casteren, van E., Abswoude, F., Steenbergen, B., Kamp van der, J. (2015). Heeft impliciet leren een plek in de gymles? Vergelijking van impliciete en expliciete leermethoden in het VSO en VO. Lichamelijke opvoeding, 11, p14-18.
Casteren, van E., Abswoude, F., Smits, D.W., Kamp van der, J., Steenbergen, B. (2015). Heeft impliciet leren een plek in de gymles? Deel 1: een classificatie van impliciete en expliciete leermetoden. Lichamelijke opvoeding, 11, p46- 49.
Casteren van E., Kamp van der, J., Steenbergen, B. (2015). Heeft impliciet leren een plek in de gymles? Impliciet en expliciet leren in het speciaal voortgezet onderwijs. Lichamelijke opvoeding, 11, p 40-43.
Kok, M.J, Kamp, van der J. (2014). Digitale video en (zelf)modellering in de gymles. In Van Hilvoorde, I., Kleinpaste. Van tikken naar taggen. Digitalisering van bewegingsonderwijs en sport. ..daM uitgeverij: Deventer.
Masters, R.S.W. (1992). Knowledge, knerves and know-how: The role of explicit versus implicit knowledge in the breakdown of a complex motor skill under pressure. British Journal of Psychology, 83, 343-358.
Masters, R.S.W., Poolton, J.M., & Maxwell, J.P. (2008). Stable implicit motor processes despite aerobic locomotor fatigue. Consciousness and Cognition, 17, 335-338.
Masters, R.S.W., van der Kamp, J., & Capio, C. (2013). Implicit motor learning by children. In J. Côté & R. Lidor (Eds.), Conditions of children’s talent development in sport (pp. 21-40). West Virginia: Fitness Information Technology.
Nuij, J. (2016). Turnen voor beginnerz. Rotterdam: 2010 Uitgevers.
Poolton, J.M., Masters, R.S.W., & Maxwell, J.P. (2007). Passing thoughts on the evolutionary stability of implicit motor behaviour: Performance retention under physiological fatigue. Consciousness and Cognition, 16, 456-468.
 
Over de auteurs
Marjan Kok is docent en onderzoeker op het gebied van motorisch leren bij de Afdeling Bewegingswetenschappen en het Universitair Centrum voor Gedrag en Bewegen van de Vrije Universiteit.
 
Jennifer Nuij is docente lichamelijke opvoeding en MRT’er op Damstede in Amsterdam. Zij is auteur van het boek Turnen voor Beginnerz dat eind oktober zal worden gepubliceerd.
 
Contact: m.j.kok@vu.nl
 
Kernwoorden: motorisch leren, impliciet leren ,expliciet leren ,impliciete leermethoden, analogie leren, externe focus
Reacties (0)
Reageer Reactie plaatsen
Ik heb een vraag!
Juridisch
0306937678
Onderwijs
0306937674
Aankomende activiteiten
21
apr
Physical Education Talk
Agendapunt bekijken
11
mei
Webinar: Ontdekkend leren voetballen
Agendapunt bekijken
19
mei
Bewegend leren event
Agendapunt bekijken
LO-Magazine
Hèt Magazine vol nieuws,
achtergronden en praktijk...
Lees meer
Is jouw collega al lid?
  • Hoe meer leden we hebben, hoe meer we voor elkaar kunnen krijgen. Ook voor je collega’s die nog geen lid zijn.
  • Lid worden kan via..
Terug naar boven
Een ogenblik geduld alstublieft...