Een artikel van Team Juridisch..
Met enige regelmaat bereikt ons de vraag wie aansprakelijk is wanneer een leerling onderweg van school naar de gymzaal of het zwembad betrokken raakt bij een ongeval en daardoor schade oploopt. De zorgplicht van de school naar de leerling speelt hierin een belangrijke rol.
In het primair onderwijs heeft een leerling na het schoolzwemmen ernstig beenletsel opgelopen door een verkeersongeval. Het slachtoffer was na afloop van het schoolzwemmen samen met nog een aantal leerlingen voortijdig vanuit de hal van het zwembadcomplex naar buiten gegaan. Hij is daar ten val gekomen en is toen met zijn been bekneld geraakt onder het achterwiel van de bus die de leerlingen kwam ophalen. Hij heeft daardoor zeer ernstig beenletsel opgelopen.
De verzekeringsmaatschappij van het slachtoffer heeft aangevoerd dat de school op grond van de artikelen 6:162, 6:170 en/of 6:171 Burgerlijk Wetboek aansprakelijk is voor de door het slachtoffer als gevolg van het ongeval geleden schade. Daarbij heeft de verzekeringsmaatschappij het volgende aangevoerd: de school, respectievelijk (één van de) door haar aangewezen toezichthouders -te weten de groepsleerkracht, de stagiaire en twee ouders- heeft haar bijzondere zorgplicht jegens de leerling van de school geschonden. De school heeft onvoldoende toezicht gehouden in de hal van het zwembadcomplex op het moment dat de kinderen gedoucht en aangekleed waren en stonden te wachten op de bus. De school heeft niet alles gedaan wat in haar vermogen lag om ongelukken met de aan hen toevertrouwde jonge kinderen te voorkomen. De leerling kon immers voortijdig naar buiten gaan zonder dat hij is tegengehouden. Volgens de verzekeringsmaatschappij had dit voorkomen kunnen worden indien één van de toezichthouders voor de deur was gaan staan. Er was echter slechts één toezichthouder in de hal aanwezig (te weten de stagiaire), welke toezichthouder niet voor de deur stond. Bovendien zijn de toezichthouders niet in staat gebleken erop toe te zien dat alle leerlingen zo snel mogelijk na de ‘uitbraak’ weer van de openbare weg afkwamen. De schending van de zorgplicht is de school volgens de verzekeringsmaatschappij toe te rekenen: het gevaar was kenbaar en vermijdbaar.
De school betwist dat zij haar bijzondere zorgplicht jegens de leerling heeft geschonden. Hooguit is er volgens de school sprake van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. De school heeft voldoende voorzorgsmaatregelen, afspraken, beleid c.q. protocol opgesteld en nageleefd en erop toegezien dat voorgaande maatregelen c.q. afspraken werden nageleefd. Het was volgens de school ook niet waarschijnlijk c.q. voorzienbaar dat een ongeval zoals het onderhavige zich zou voordoen. Ook had geen enkele maatregel van de school het ongeval kunnen voorkomen. Niet op alle mogelijke gevaren kan worden geanticipeerd en niet alle mogelijke gevaren kunnen worden voorkomen. De op de school rustende bijzondere zorgplicht houdt niet in dat op elk kind direct toezicht wordt gehouden, aldus de school.
De rechtbank stelt voorop dat op een school een bijzondere zorgplicht rust ten aanzien van de gezondheid en de veiligheid van de leerlingen die aan haar zorg zijn toevertrouwd en onder haar toezicht staan. Het enkele feit dat het ongeval heeft plaatsgevonden, impliceert echter nog niet dat de school haar bijzondere zorgplicht heeft geschonden. Deze bijzondere zorgplicht impliceert bovendien niet -zoals de school terecht heeft aangevoerd- dat steeds op elk kind direct toezicht wordt gehouden zodanig, dat elke onregelmatigheid direct wordt opgemerkt en direct kan worden ingegrepen.
Voorts stelt de rechtbank: in het onderhavige geval heeft het kunnen gebeuren dat een groep jonge leerlingen waaronder het 10-jarige slachtoffer naar buiten is gehold zonder dat dit door één van de door de school ingeschakelde toezichthouders is opgemerkt. De omstandigheid dat een dergelijke grote groep jonge kinderen ongemerkt naar buiten heeft kunnen rennen, te weten naar het parkeerterrein van het zwembadcomplex waarbij af- en aanrijdende auto’s en bussen zijn te verwachten, maakt dat de school niet aan haar bijzondere zorgplicht heeft voldaan. De verzekeringsmaatschappij van de leerling heeft terecht gesteld dat het ongeval voorzienbaar was gelet op de af- en aanrijdende auto’s/bussen. Bovendien was het ongeval vermijdbaar. Ter voorkoming van het ongeval was het niet nodig dat op elk kind direct toezicht werd gehouden. Voldoende was dat één van de toezichthouders zodanig voor de buitendeur die naar het potentiële gevaar leidde was gaan staan, dat het niet mogelijk zou zijn geweest dat een dergelijke grote groep jonge kinderen naar buiten zou zijn gehold, althans dat dit direct zou zijn opgemerkt, waarna direct ingegrepen had kunnen worden. De rechtbank acht de school dan ook (mede)aansprakelijk voor het ongeval.
Het risico dat zich een verkeersongeval zou voordoen is door het gebrek aan toezicht in aanmerkelijke mate verhoogd, welk risico zich ook daadwerkelijk heeft verwezenlijkt. Het toezicht door de school diende er juist toe om te voorkomen dat ongevallen zoals deze zich zouden voordoen.
Anderzijds is de rechtbank met de school van oordeel dat ook aan de buschauffeur een verwijt kan worden gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet gezegd worden dat het verwijt dat aan de school kan worden gemaakt groter dan wel kleiner is dan dat aan de buschauffeur kan worden gemaakt. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat zowel de verzekering van de vervoersmaatschappij als van de school voor de helft van de schade van het slachtoffer draagplichtig is.
Deze uitspraak benadrukt het belang van de zorgplicht die een school heeft jegens haar leerlingen, niet alleen in en om het schoolgebouw, maar eveneens op weg van en naar externe door de school georganiseerde activiteiten in het kader van bewegingsonderwijs.
Heb je als docent zelf te maken hebt met een situatie zoals hierboven vermeld dan kun je contact opnemen met de KVLO via juristen@kvlo.nl